Op 27 januari vond de nieuwjaarsbijeenkomst van de werkgroep van de historische kring Het Land van Herle plaats. Onder het genot van een hapje en drankje luisterden we naar een interessante voordracht van ons lid Sjaak Giezenaar met als onderwerp: politieperikelen in Brunssum in de vorige eeuw.

In de periode van 1912 tot 1917 was de Brunssumse bevolking gegroeid van 1200 naar 5000 zielen en onder meer het raadhuis en de school waren te klein geworden. In 1917 nam burgemeester Meens afscheid en de uit Roemond afkomstige F.A.J. Schmier volgde hem op. In datzelfde jaar maakte architect Bemelmans een ontwerp voor een nieuw raadhuis waarin onder meer het politiebureau ondergebracht zou worden. Burgemeester Schmier besloot een gemeentelijk politiekorps op te richten en af te stappen van veldwachters. Twee veldwachters werden benoemd tot politieagent en er werd middels een advertentie geworven voor nieuwe agenten. In 1918 werden er vier aangetrokken. Het politiebureau in het souterrain van het gemeentehuis werd eveneens uitgebreid en op de eerste verdieping werden een archiefruimte en een kamer voor een politie inspecteur ingericht.

In 1920 werd er opnieuw sollicitanten opgeroepen voor het Brunssums politiekorps, ditmaal voor de functie van politie inspecteur. De functie ging naar agent 1e klas Lebbink, afkomstig uit Roermond. Deze agent had geweldig goede referenties van de politiecommissaris van Roermond. Hij was in het bezit van het politiediploma met aantekening. De Bond van Hoger Politiepersoneel reageerde negatief op deze aanstelling maar burgemeester Schmier benoemde deze agent desondanks m.i.v. 1 januari 1921. Al vrijwel direct kreeg de burgemeester negatieve berichten over Lebbink via de commissaris van de Koningin die aangaf dat Lebbink onbetrouwbaar zou zijn. Dit had hij vernomen van de Procureur Generaal in Den Bosch. Lebbink werd daarom niet tot onbezoldigd Rijkswachter benoemd en kreeg hij geen penning. De benoeming tot veldwachter was nodig om landelijk bevoegd te zijn voor politietaken. Onbezoldigd wil hier zeggen dat hij niet door het rijk maar door de gemeente Brunssum betaald werd. Na het inwinnen van nadere informatie bleek dat Lebbink verdacht werd van smokkel en van verduistering van een vuurwapen. Toen hiervan aangifte gedaan werd, werd hij veroordeeld tot 25 gulden boete of 25 dagen hechtenis. Schmier bleef Lebbink echter handhaven en probeerde de veroordeling te bagatelliseren. Uiteindelijk diende Lebbink in 1924 zelf zijn ontslag in dat hem datzelfde jaar werd verleend. In 1933, 9 jaar na de feiten, werd een afkeuringprocedure in gang gezet. Al die tijd had hij wachtgeld genoten. Bij deze afkeuringsprocedure riep Lebbink de hulp in van een zekere dr. Schmier die vaststelde dat de klachten van Lebbink niet het gevolg waren van zijn diensttijd bij de politie in Brunssum.

Na het vertrek van Lebbink kwam er opnieuw een vacature voor politie inspecteur in Brunssumen nu werd gevraagd om kandidaten met een inspecteursdiploma en/of werkzaam als inspecteur. Hierop reageerden vier kandidaten: drie jonge politie inspecteurs en een luitenant der infanterie, een zekere Gitsels. De referenties van de kandidaten werden toegestuurd aan de Procureur Generaal in Den Bosch en deze achtte de drie inspecteurs zeer geschikt en wees dhr. Horck aan als meest geschikte kandidaat vanwege zijn band met de streek. Naar de luitenant deed de procureur geen onderzoek omdat deze als militair volgens hem niet geschikt was voor de functie. Tegen het advies van de procureur in benoemde burgemeester Schmier toch dhr. Gitsels en kreeg hierop zowel van de Procureur Generaal als van de minister van Binnenlandse zaken negatieve reacties. Bovendien werd Gitsels als onbezoldigd veldwachter beëdigd.

Omstreeks 1927 vond er een incident plaats waarbij een hoofdagent en een agent van inspecteur Gitsels de opdracht kregen een ‘dronken’ slager bij zijn woning te arresteren vanwege het veroorzaken van overlast. De agenten weigerden dit omdat zij van mening waren dat de slager niet dronken was. Gitsels heeft de man kennelijk toch bekeurd en de slager liet de zaak voorkomen. In die zaak traden beide politieagenten op als getuige á decharge en verklaarden dat de oploop voor de slagerij het gevolg was van een optocht van de schutterij en dat er geen sprake was van dronkenschap. Het proces verbaal van de inspecteur berustte volgens de advocaat van de verdachte op pure fantasie. Datzelfde jaar 1927 liet de Procureur Generaal via de officier van justitie bij de burgemeester navraag doen naar het functioneren van de inspecteur en de burgemeester was vol lof over de inspecteur. In 1933 werd vastgesteld dat inspecteur Gitsels tussen 1926 en 1933 87 processen verbaal had achtergehouden. Naar aanleiding hiervan werd Gitsels geadviseerd om ontslag te nemen hetgeen hij in 1934 ook deed.

Het naar aanleiding hiervan geschreven rapport door de Procureur Generaal liet geen spaan heel van zowel Gitsels als het Brunssums politiekorps. Het was in zijn ogen een ‘Augiasstal’. De nieuwe inspecteur werd dhr. Spronck uit Heerlen maar deze overleed al binnen een jaar. Hij werd opgevolgd door inspecteur Weyma. Inmiddels was het Brunssums korps uitgegroeid tot 17 personen en was de ruimte in het raadhuis opnieuw te klein geworden. Hierop werd besloten een afzonderlijk politiebureau te bouwen dat door architect Drummen ontworpen werd. Dit werd  in 1936 aan de Raadhuisstraat gerealiseerd. In dit gebouw kregen zowel de politie als de dienst Openbare werken onderdak.

Burgemeester Schmier week in 1944 uit naar Roermond maar bleef officieel aan tot 1945. Wat betreft het functioneren van burgemeester Schmier zijn er nog heel wat onbeantwoorde vragen. Hij werd opgevolgd burgemeester Quint,eerst als als plaatsvervangend burgemeester, later definitief. Hij zou aanblijven tot 1975.

Bedankt Sjaak voor dit interessante verhaal!

Deze pagina delen
Email this to someoneShare on LinkedInShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Facebook
Lees ook: