Op deze eerste bijeenkomst van de werkgroep van het jaar hebben we niet alleen geklonken op een goed jaar voor de regionale historie, we trapten ook af met een boeiende lezing door dr. Loek Kreukels. Deze lezing had betrekking op een artikeltje van de enige Limburgse Tachtiger, Frans Erens, dat in 1910 verscheen in De Groene Amsterdammer.

In dit artikel, ‘Een heerlijke streek’, schetst Erens een nogal ontluisterend beeld van de Oostelijke Mijnstreek. Erens heeft in de afgelopen jaren zijn geliefde idyllische, agrarische Zuid-Limburg  zoals hij dat in zijn postuum verschenen ‘Vervlogen jaren’ beschrijft, zien veranderen in een in zijn ogen verloederde en losgeslagen bende. En dit is allemaal de schuld van de opkomende mijnbouwindustrie. In de plaats van de grote bossen en het vreedzame volk dat voorbijgangers ongemoeid zijn weg liet gaan waren er de kolenmijnen en het spoor gekomen en het leek ” … alsof allerlei boze geesten uit de zwarte kolengrond zijn losgeroken, alsof de hel in de hoofden der mensen is gevaren”. Hij vertelt over een treinreis van ‘Holland’ naar Aken via Sittard en Heerlen. Tijdens die reis vertelt een medereiziger hem over de uitwassen die aan de orde van de dag zijn: hordes mijnwerkers (vaak buitenlanders die iets op hun kerfstok hebben) die op weg naar de mijn elkaar opstokend alles vernielen dat op hun weg komt, die stations vernielen en vrouwen lastig vallen met vuile praat. Het inwoneraantal rondom Heerlen is verdubbeld en deze nieuwkomers zijn ondergebracht in ‘nieuwe huizen, in een stijl en bouworde zo lelijk als zij nergens in heel Nederland worden gebouwd’. Er wordt dagelijks gestolen : was die op de heg ligt te drogen verdwijnt, offerblokken in de kerk worden van hun inhoud ontdaan maar ook worden kruisbeelden langs de kant van de weg vernield en dit allemaal ‘in de brutaliteit van het klare zonnelicht’. Het lijkt of de tijden van de Bokkenrijders zijn teruggekeerd. Ook verzucht Erens’ zegsman: “Hadden wij maar het strengere Duitse regime, het forsere optreden der autoriteiten, van de gewapende macht of de politie”. –Be carefull what you wish for! –

frans-erensDe Schaesbergse auteur Frans Erens (1857-1935)

Uit de trein gestapt stelt Erens vast dat zijn medepasagier niet overdreven had, zoals hij eigenlijk gehoopt had. Op dit (niet met naam genoemd) station bestormen de mijnwerkers te trein om binnen te komen, hoort hij glasgerinkel en meisjes gillen. Er breken gevechten uit en politie is in geen velden of wegen te bespeuren. Al wandelend naar zijn bestemming denkt hij treurig aan de naderende toekomst wanneer de volgende generatie tot wasdom gekomen is. Hij vreest dat het bestaan in die toekomst niet meer zal berusten op het intellect van vroeger en dat ‘het klokje van het grote oproer’ de mensen zal oproepen tot ‘vernietiging aller beschaving en van al het schone…. ‘ en dat de oude beschaving en alles dat werd opgebouwd’ zal worden verbrijzeld en weggevaagd. Hij eindigt zijn verhaal met de gedachte ‘of het niet wenselijker ware voor dit gedeelte der aarde dat zij, zoals kosmologen voorspellen, door een zwervende, gloeiende meteoriet zou worden weggevaagd’.

Dit gelezen hebbend vroegen we ons af wat er feitelijk en historisch verifieerbaar klopte van dit verhaal. We weten dat de komst van de spoorlijn en de mijnen voor heel wat sociaal-economische veranderingen hebben gezorgd en dat de streek ingrijpend veranderde in het begin van de 20e eeuw. Maar was het echt zo erg als Erens stelt?

Mijn 1910Ondergronds mijnwerk

Met deze vraag benaderden we een aantal historici met expertise op dit gebied waaronder Loek Kreukels. Hij heeft ons afgelopen maandag bijgepraat over de historische achtergronden bij de tekst van Erens. Om te beginnen kloppen een aantal zaken in Erens’ verhaal feitelijk niet. Bijvoorbeeld: de reis die hij beschrijft, klopt geografisch gezien niet. Verder lijkt hij heel wat zaken in de mond van zijn reisgenoot, de onderwijzer, te leggen.

Kreukels stelt dat een en ander een weinig authentieke indruk maakt en hij heeft het sterke vermoeden dat het verslag van de treinreis en de ontmoeting met het hoofd der school fungeert als kader waarin Erens zijn afschuw over de mijnen en de mijnwerkers kan spuien. Hij verdenkt hem ervan zijn eigen opvattingen in de mond van zijn reisgenoot te leggen zodat hij zich achter diens rug enigszins verschuilen kan.  Hij lijkt niet verantwoordelijk te willen zijn voor zijn opvattigen en de gekozen literaire vorm geeft hem een vrijbrief om radicale uitspraken te kunnen doen zonder hiervoor ter verantwoording geroepen te kunnen worden.

Overigens was de redactie van ‘De Groene Amsterdammer’ ook kritisch op zijn artikel. Op 24 april 1910 publiceren zijn hun commentaar. De redactie gelooft niet in de opstand der horden die de beschaving zal wegvagen. De drijfveer van Erens tot het schrijven van dit artikel ligt wellicht in het karakter van Erens. Hij ‘koestert de hang naar een truggetrokken leven’ aldus zijn vriend Willem Kloos. Gevormd door het katholicisme is hij ‘heel anders opgevoed dan wij’. Erens is een karakteristiek vertegenwoordiger van het uitstervend geslacht der letterkundigen. Hij houdt zich op in een stille kamer en voedt zich met boeken. De geschiedenis heeft de redacteur van de ‘Amsterdammer’ –gelukkig–  gelijk gegeven. Het is zover niet gekomen.

Over dit artikel heeft Loek Kreukels helaas niet alles kunnen vertellen wat hij voor ons in petto had. Met name het aspect van de aangestipte criminaliteit kon helaas niet ter sprake komen omdat de tijd dit niet toeliet. Vandaar dat wij hem heel graag nog eens willen uitnodigen om zijn verhaal af te maken.

In ons tijdschrijft MijnStreek gaan we een tweetal artikelen wijden aan dit onderwerp. We zijn hier nog lang niet over uitgepraat. Wordt dus vervolgd!

 

 

Deze pagina delen
Email this to someoneShare on LinkedInShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Facebook
Lees ook: